VM voor Dummies
Koepel ALMA

Onze Ritus

Uit een Duitse pseudomaçonnieke film

In deze tekst van een voordracht (2012) in de loge, zijn enkele details die tot het "geheim" behoren weggelaten...

(Inleiding)

Wie onze rituelen bijwoont, zal weinig verschil merken met andere loges die de Franse Moderne Ritus volgen, want wij volgen zeer getrouw alle gebruiken en vormen van die Ritus. Enkele onopvallende details verschillen daar echter wèl van: ons Boek, het feit dat wij de Opperbouwmeester de Logos noemen en het Altaar de Volmaakte Steen, de formulering van onze eed, en een aantal verwijzingen naar Alexandrië.

Wij hopen dat onze keuzes de achterliggende bedoelingen van deze centrale maçonnieke symbolen misschien nog beter realiseren dan hun traditionele vormgeving. Er is dus geen sprake van verandering, en nog minder van verwerping, maar integendeel van constructieve groei vanuit doelgerichte verdieping, dus van dichter te proberen komen bij het wezenlijke doel.

Zo zijn er in Opening en Sluiting enkele onopvallende verschillen, zoals het Corpus Hermeticum ipv de Bijbel, 'Logos' ipv 'Opperbouwmeester', e.d. Dit houdt verband met onze humanistische visie op het menselijk bestaan, die reeds aanwezig was in Alexandrië tot de zesde eeuw, en dan vanaf de 15e eeuw in Firenze, zoals hier verder besproken.

(Hetero- en autonomie)

We beginnen met enkele fundamentele begrippen uit de individuele en sociale psychologie, namelijk hetero- en auto-nomie, letterlijk vertaalbaar als “door een ander” en “door jezelf bepaald”. Nomos betekent in het Grieks immers regel, wet, huishouding, gang van zaken.

Het opvallendste kenmerk van de Renaissance, waarmee de belangrijkste aspecten van de westerse cultuur, zowel wetenschappelijk, filosofisch, religieus, artistiek als sociaal, vanaf het einde der middeleeuwen weer tot leven kwamen, is het herwonnen geloof van de mens in zichzelf, de overtuiging dat de grenzen van onze mogelijkheden meestal maar schijngrenzen zijn, en dat het in ons vermogen ligt deze op te schuiven. In de psychologie heet deze opvatting autonomie, d.w.z. het geloof dat de dingen maakbaar zijn door onszelf. Toendertijd noemde men het humanisme tegenover deïsme. Dit geloof in onszelf bracht ons ertoe Amerika te ontdekken, de boekdrukkunst uit te vinden, de schilderkunst te ontwikkelen met Jan van Eyck en Leonardo da Vinci, de planeten en de sterren van het Heelal met de pas uitgevonden sterrenkijkers te bestuderen en daarmee aan te tonen dat het Bijbelse heelalbeeld verkeerd was, het bijgeloof in het christendom te verwerpen door Luthers Reformatie, de anatomie te ontdekken door de Brusselse arts Van Wezel, ook Vesalius genaamd, die daarmee Galenus’ theorieën van meer dan 1000 jaar oud verwierp, voor het eerst de psychiatrische ziektenleer te formuleren door een Brabantse psychiater uit de 16e eeuw, Jan van Wier, die in zijn revolutionair handboek De praestigiis daemonum aantoonde dat de verschillende psychische ziekten geen vormen van duivelse bezetenheid waren, en daarbij pleitte voor gezins- en ergotherapie, de polyfonie te ontwikkelen daar waar zelfs vandaag nog alle volkeren ter wereld monofoon musiceren, tenzij ze intussen door de westerse muziek beïnvloed werden, de sociale evolutie op gang te brengen van monarchie tot democratie, de slaven, de arbeiders en de vrouwen te emanciperen, de minimale Rechten van de Mens te formuleren, de hele technologie uit te bouwen met geneeskunde, huiselijk comfort, vervoer- en communicatiemiddelen, de vrijmetselarij te stichten, het onderwijs te veralgemenen, enz. Diezelfde autonome geestescultuur bestond overigens reeds bij de oude Babyloniërs, de Egyptenaren, de Feniciërs en de Grieken, die allen zowel bouwkundig, sociaal als wetenschappelijk indrukwekkende dingen hebben gerealiseerd. Ze integreerde zich en culmineerde in de fantastische Alexandrijnse cultuur, die echter vanaf 400 het jaar bewust uitgeroeid werd door de Constantijnse christenen, en later door de Arabieren.

Van rond 400 nC tot ongeveer 1400 is dit elan dan stilgevallen, en zijn er geen evoluties van betekenis meer geweestToen heerste namelijk de monotheïstische opvatting dat de mens niets uit zichzelf kan. God moet helpen, zowel met een verlossing van de erfzonde, krachtgevende genade als met inzichtgevende, door God geïnspireerde openbaringen. En als tussenpersonen tussen God en de mens fungeren de priesters o.l.v. de paus, zonder dewelken wij niets kennen of kunnen. De instrumenten van deze genade-overdracht zijn de sacramenten uit de liturgie. De Bijbel is een samenvatting van Gods richtlijnen, aan ons overgemaakt via openbaring, “revelatie”, aan verlichte schrijvers. Deze denkcultuur heet heteronomie.

Vrijmetselarij nu is duidelijk autonoom. Inderdaad, metselen betekent: (zelf) bouwen, oprichten, vernieuwen, doen groeien, afwerken, dus grenzen verleggen; vrij betekent dat we ons bij de ideeën, die ons metselen leiden, niet laten beperken door traditie, door de wil van anderen, maar enkel voortbouwen op onze inzichten en intuïties.

Op deze humanistische basisvisie zijn in JvE onze fundamenteelste maçonnieke symbolen van Opperwezen en Boek geïnspireerd.

(Logos ipv Opperbouwmeester)

Vooreerst de Logos. Deze Griekse term betekent helemaal niet woord zoals vele Grieks-onkundigen misschien denken. Hij betekent integendeel inzicht, kennis, wetenschap, meetbare verhouding, ontwerp, plan. Denk bv aan woorden als psychologie en meteorologie. Die betekenen niet het woord van de geest of van de meteoren, maar de kennis van die fenomenen. De Latijnse en Nederlandse vertalingen van het Johannesevangelie gaan echter als volgt:

ν ρχ ν  λόγος, 

κα  λόγος ν πρς τν θεόν, 

κα θες ν  λόγος.   


In principio erat verbum,

et verbum erat apud deum

et deus erat verbum.


In het begin was het Woord

en het Woord was bij God,

en het Woord was God. [een eerste fout: het omdraaien van God en Woord]


Dit is taalkundig dus een pure dwaling. En het is niet omdat men het eeuwen aan een stuk herhaalt dat het bestaansrecht krijgt. Denk bv ook aan onze term De Gulden Snede, waarbij snede verhouding betekent. Die wordt in het Grieks vertaald door Hiëros Logos. Dit betekent de heilige verhouding. Het is namelijk een verhouding van twee lengtes, die men wonderlijk vond, en dus als heilig bestempelde. Het betekent echter zeker niet: heilig woord. De beste vertaling van Logos is dus: kennis, plan, inzicht, verhouding, theorie.

Trouwens, ook het woordje God is verkeerd vertaald. Toen de eerste christenen in Griekenland en later in de Germaanse wereld aankwamen hadden ze een woord nodig om Jahweh in de lokale taal te vertalen, en toen namen ze maar iets dat er dichtbij lag: theos voor de Grieken, en god voor onze voorouders. Maar die culturen waren polytheïstisch, zonder opperste heer, en vaak waren de goden maar mythische begrippen, hooguit spreekwoordelijke geesten die verwezen naar bepaalde sterke en onbeheersbare natuurkrachten, zoals onweer en vruchtbaarheid, zoals wij vaak spreken over het lot zonder een god te bedoelen. Maar Jahweh was duidelijk een gepersonaliseerde God, de gestrenge Heer der Mensen en later de Vader van Christus. Het is door het christendom dat theos en god eigenlijk gaandeweg een gans andere betekenis hebben gekregen. Theos, deus betekent etymologisch echter licht, zien, wijsheid, begrijpen. Een verwant woord als Zeus betekent gewoon het stralende licht. En een woordje als dies, dag is van dezelfde wortel, evenals the-orie wat betekent: het zien van het licht, het plan, de verhoudingen. Dat allemaal om te zeggen dat de beste vertaling van theos eigenlijk zou zijn: de verlichte, de ingewijde, hij die het licht gezien heeft, of zelfs het plan zelf, de wijsheid, de kennis, het inzicht. Trouwens, ook het woordje boeddha betekent oorspronkelijk de verlichte, en is in het Indo-europees verwant aan god. En volgens deze oosterse wijsheid zijn wij allen een boeddhaeen Verlichte, tenminste als we bewust deze Verlichting nastreven.

Gewapend met deze inzichten zouden we de eerste lijntjes van het Johannesevangelie beter kunnen vertalen als volgt:

                  Het begon met een plan,

                  En het plan was bij de ingewijde,

                  Ja, de Ingewijde zelf was het plan.

 

Zo vertaald komt het begrip Logos waarlijk tot zijn recht, tenminste vanuit de taalkundige begrippen die je gewoon op het internet kan nakijken. Deze aanhef is duidelijk een echt esoterische, hermetische tekst, die gans anders klinkt dan wat de simplistische Latijnse christenen ervan gemaakt hebben. Daarom denken wij dat ons woordje Logos een goede keuze is, want er is (thans nog) geen geschikt Nederlands woord om dit ingewikkelde begrip goed uit te leggen. Wij gebruiken wel soms het woordje Geest, niet te verwarren met geest, de software van onze hersenen. Maar als je dat niet telkens goed uitlegt kan het wel verkeerd begrepen worden.

Misschien vraag je je nu af: als we God gewoon Logos noemen, dan blijft alles toch hetzelfde: de Logos bezorgde ons de wijsheid, en creëerde het Heelal.

Neen, zo moet de Logos niet begrepen worden. Een plan, een inzicht kan immers zelf niets verrichten. Het verwijst naar de zich steeds verder ontwikkelende wijsheid, dus wijsheid in evolutie. Bij dat inzicht is er een realisator nodig, iets of iemand, om dit inzicht toe te passen. In dat begrip Logos zit daarenboven niet alleen de verzameling van alle thans bestaande inzichten en wetenschappen, maar per definitie ook alle wetenschappelijke en technologische inzichten die nog kunnen en zullen ontwikkeld worden, alle wijsheid die ooit nog zal tot stand komen, maar er nu nog niet is. En hij zal tot stand komen door ons aller bijdrage, zoals ook de Tempel der Mensheid zich verder ontwikkelt door ons aller inbreng, hoe bescheiden die ook is. In die Logos zit dus ook onze intuïtieve droom van een toekomstige volmaakte wereld inbegrepen. De mensheid heeft dat altijd aangevoeld, en het werd intussen wetenschappelijk bevestigd doordat elk van de voorbije evolutiefasen steeds uitgelopen is op een grotere harmonische integratie. Daarom noemen we ons Boek ook autonoom Het Boek van de Aloude Droom der Mensheid,en niet heteronoom Het Boek van de Heilige Wet.

In onze geest zit er telkens een stukje Logos, en alles, wat wij aan moois en constructiefs bedenken in ons leven, verrijkt vroeg of laat, direct en indirect, die Logos. Onze kinderen krijgen een rijkere Logos cadeau dan wijzelf hebben gekregen.

Dus als we zeggen dat de Logos aan de basis ligt van het bestaan en zijn evolutie, dan bedoelen we ermee dat de Logos, die in ons zit, een verzameling inzichten is die deze evolutie door de realisator inspireren, maar niet zelf uitlokken. De eigenlijke realisators zijn vroeger de natuur zelf, en sinds het bestaan van de mens meer en meer de mens zelf. Want er zit veel evolutiekracht ingebouwd in de natuur zelf, zoals bv. het bestaan van levende wezens die onvermijdelijk tot stand komen op planeten die aan de geschikte voorwaarden van temperatuur en vocht voldoen. Sinds het ontstaan van de mens krijgen wij zelf een steeds grotere invloed op dat evolutieproces. Dit is eigenlijk geen wezenlijke verandering, want ook wij behoren tot die natuur. Het is dus nog steeds de natuur die de evolutie uitlokt als de omstandigheden daartoe gunstig zijn. Maar nu passeert ze meer en meer doorheen ons bewuste, daar waar het vroeger blind en op de tast verliep.

Het is bv de zon die de aarde op een geschikte temperatuur houdt zodat de biologische evolutie zich hier kon voltrekken, niet de Logos. Maar de natuurwetten volgens dewelke dit gebeurt behoren tot de Logos.

De Logos omvat dus de inzichten met het plan, die vóór de mens impliciet ingebouwd zaten in de structuur van de evoluerende materie, maar die sinds de mens meer en meer bewust worden in onze geest. Het zijn daarenboven, sinds de mens bestaat, eveneens wij die op die manier die inzichten, die Logos verder uitbouwen. In die zin is het bestaan van de Logos geen illustratie van heteronome processen, maar van autonome.

Daarom spreken we in Jan van Eyck van Logos. Want in de Vrijmetselarij een Opperbouwmeester aanvaarden, die alles stuurt en regelt en vóór ons weet, valt moeilijk te rijmen met de diepste autonome wet van het maçonnieke wereldbeeld.

(Het Corpus Hermeticum en Alexandrië ipv de Bijbel en Jeruzalem)

Toen de Griekse cultuur in Griekenland, bezet en op alle gebieden gepluimd door de Romeinen, zoals Vlaanderen indertijd door de Spanjaarden, langzaam doodbloedde vanaf de derde eeuw vC, wachtte haar in de jonge stad Alexandrië een nieuw leven. De beroemde Atheense architect Dinócrates ontwierp daar het plan voor een ideale stad, en Demétrius van Fálero, een leerling van Aristoteles en verbannen Atheense stadsmagistraat, werd uitgenodigd om de bibliotheek te ontwerpen. Daarenboven werd het Griekse Alexandrijnse denken voortaan bevrucht met de Egyptische mystiek, de Babylonische wetenschappen, en het Joodse zelfvertrouwen, want er woonden in Alexandrië weldra meer Joden dan in Jeruzalem. En ze spraken Grieks, geen Hebreeuws. Verder waren er ook sporen van de Indische cultuur, die wellicht door Alexander en zijn omgeving meegebracht was tijdens zijn krijgstochten.

De Alexandrijnse cultuur was dus een integratie van de grootste culturen van die tijd. Ze bruiste van openheid en van fundamenteel zelfvertrouwen, en daardoor van creativiteit. Het was een sprankelend vat van humanisme, van vrij denken, met wetenschappers als Euclides en Archimedes, met geëmancipeerde vrouwen als Cleópatra en Hypátia. De wetenschappen bloeiden, men berekende de omvang van de ronde aarde en haar afstand tot de maan, men ontwierp er de kalender die we vandaag nog steeds gebruiken, de muziek evolueerde, de grootste geesten van die tijd studeerden en werkten daar, met inbegrip van Galenus, die duizend jaar lang onze geneeskunde bepaalde, Diofantus, die onze algebra uitvond, de vertalers van de Septuagint, die de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks bewaarden, waardoor hij niet verloren is gegaan, maar 1000 jaar later weer vertaald werd naar het Hebreeuws. In Alexandrië heeft ook het christendom in zijn intellectuele vorm gestalte gekregen met briljante geesten als Orígenes, die de belangrijkste principes van het christendom filosofisch uitpuurde en omschreef, en die Gods goedheid zo hoog inschatte dat hij stelde dat uiteindelijk zelfs Satan zou kunnen gered worden. Van positief, constructief denken gesproken! Daar waren de keizerlijke christenen van Constantinopel niet blij mee! Verder was er nog Filo, een tijdgenoot van Christus, een filosoof die een schitterende integratie maakte van het joodse met het westerse Platonische denken. Hij vervolmaakte ook het Kabbalah-symbool, dat wellicht zijn oorsprong vindt in de godsdienst van Zoroaster, en dat aan de joden bekend werd tijdens hun verbanning in Babylon vijf eeuwen eerder. Zijn theorieën werden echter verworpen door de Joden uit Jeruzalem, die het onmogelijk achtten dat God in het Grieks zou geopenbaard hebben! En verder was daar Plotinos, die Plato vervolledigde met de recentste filosofische en wetenschappelijke inzichten. Na zijn vertrek naar Rome, omdat het hem in Alexandrië wat te gevaarlijk werd door de steeds talrijkere christenen uit Constantinopel, ging Hypátia zijn school leiden.

Deze autonome, constructieve, open mentaliteit vol zelfvertrouwen straalde uit een reeks eeuwenoude Egyptische geschriften die bewerkt werden in het Grieks, en gebundeld tot het Corpus Hermeticum, ofte de “Verzamelde Geschriften van Hermes”. Dit boek ging echter verloren met de vernieling van de Bibliotheek, eerst door de christenen van Constantinopel, later door de mohammedanen. Een kopie werd echter duizend jaar later in een Macedonisch bergklooster teruggevonden door de Florentijnse monnik en edelman Leonardo van Pistoia, die in opdracht van de Medici’s Griekse kloosters doorzocht op zoek naar antieke Griekse teksten. Het werd meteen door de beroemde Marsilio Ficino uit Florence, de oudste filosoof van de Italiaanse Renaissance, vertaald in het Latijn, en begon toen een ware triomftocht doorheen het Europa van het Humanisme. Men meende een ogenblik zelfs verkeerdelijk dat het ouder was dan de Bijbel, en dat ook Mozes er inspiratie in gevonden had. Maar hoe dan ook, die mentaliteit van zelfvertrouwen begeesterde de denkers van de Renaissance, van Ficino tot Erasmus, Spinoza en Diderot, de auteur van de Encyclopédie der Franse filosofen. Ze waren vooral geestdriftig door de autonome mentaliteit die het uitstraalde, zo gans anders dan de heteronome Bijbel, die de mens aanzette tot onderwerping. Zelfs de Antwerpse intellectueel en drukker Plantijn liet het in het Nederlands vertalen, samen met de Italiaanse en Franse één der eerste vertalingen buiten het Latijn. Trouwens, nog vele andere Alexandrijnse teksten, zoals het herontdekte Algebraboek van Diofantus, werden een spirituele inspiratiebron voor het Humanisme en de wetenschappelijke revoluties van na de middeleeuwen.

Vandaar dat thans kritische geesten, die zich de moeite getroost hebben de geschiedenis van Alexandrië te bestuderen, en zich los te maken van de triomfantelijke mythes die ons tijdens het secundair onderwijs ingelepeld werden over Rome, Athene en Jeruzalem, overtuigd zijn dat Alexandrië, veel meer dan die drie veelbesproken steden, aan de basis ligt van de westerse cultuur, van het vrije denken.

Dat Jeruzalem, zijn Tempel en een reeks andere joodse symbolen zo belangrijk schijnen voor de Vrijmetselarij, werd veroorzaakt door het feit dat de hele Alexandrijnse geschiedenis zo goed als onbekend was in Engeland rond 1717. Daarenboven verkoos men de oud-testamentische geschiedenissen met de Tempel van Jeruzalem, omdat het Nieuwe Testament in die antiklerikale 18e eeuw niet zo geliefd was. Het is pas later dat men gaan beseffen is dat de Bijbel niet geschreven werd door Mozes of David, maar pas rond 500 tot stand kwam in Babylon, toen vele joden daar 3 generaties lang verbannen waren en geconfronteerd werden met de hoogstaande Babylonische cultuur, met eeuwenoude geschriften die als inspiratie gediend hebben voor de zondvloed en andere "joodse" mythes. En toen duidelijk werd dat ook de beroemde Tempel van Jeruzalem niet gebouwd was volgens de concrete richtlijnen van Jahweh, zoals de Bijbel beweert in het Boek der Koningen, maar gewoon een kopie was van de 5 eeuwen oudere Tempel van Tyrus in Fenicië, heeft de joodse mythologie veel van haar pluimen verloren als projectiescherm voor ons maçonniek ideaal, en zijn wij de schitterende Alexandrijnse cultuur steeds meer naar haar volle waarde gaan schatten. Symbolen zijn natuurlijk maar beelden, waarvan de betekenis niet vastligt maar die hun belang krijgen door wat men erin ziet, maar als ze historisch gewoon het omgekeerde hebben betekend van wat men er probeert in te zien, wordt het wel moeilijk. Gezien met de ogen van vandaag lijkt de Tempel van Jeruzalem eerder een eeuwigdurende steen des aanstoots. Maar ik spreek uiteraard alleen voor mezelf, en heb begrip en eerbied voor de visie van mensen die de Alexandrijnse cultuur, voorlopig het antieke hoogtepunt van de westerse humanistische beschaving, nog niet echt leren kennen hebben, en daardoor noodgedwongen de mythes van Jeruzalem, Athene en Rome blijven aankleven.

Daarenboven lag Alexandrië met zijn Tabula Smaragdina en de eerste scheikundigen zoals Zôsimos en de Jodin Maria wellicht aan de basis van de Alchemie, volgens Jung een prachtomschrijving van het onbewuste en archetypische groeiproces dat ook in de Vrijmetselarij symbolisch beschreven wordt.

Maar het ritueel verhaal gaat verder. In de loop van de 19e eeuw begon de herlevende katholieke kerk de politieke liberale en humanistische gedachte te bestrijden in katholieke landen als Frankrijk en België, wat een antiklerikale reactie uitlokte in de maçonnerie. Nergens elders in de maçonnieke wereld bestond dit antiklerikalisme, want de Anglicaanse en protestantse geestelijkheid bleef en leeft nog steeds in de beste verstandhouding met de maçonnerie. Alhier schrapte men uiteindelijk zelfs elke vermelding van de term “Opperbouwmeester des Heelals”, en verwijderde men zowel de bijbel als het zogenaamde “altaar” uit de tempel. Het argument was dat de bijbel als boek een symbool was van de goddelijke openbaring die de mens in zijn onvermogen tot autonoom denken kwam bevestigen, en dat deze cultuur van dogmatisme en intellectuele gehoorzaamheid niet paste bij de vrijdenkende maçons die uiteindelijk het humanisme vertegenwoordigden. Op dit ogenblik zijn in onze contreien deze bijbelloze tempels, namelijk die van het GOB en de DH, numeriek in de meerderheid. De GLB, die zich rond 1960 losscheurde van het GOB, en later de RGLB, die zich rond 1980 losscheurde van de GLB, voerden de bijbel en de Opperbouwmeester weer in, maar preciseerden dat het hen niet te doen was om de christelijke "God", maar om een universeel symbool voor een Opperwezen, waarbij iedereen vrij kon bepalen wat dat concreet voor hem betekende, desnoods een computer. Ze bleven het echter nog steeds hebben over altaar, hoewel men in Nederland al een eeuw daarvoor gaan spreken was van de Zuivere Kubiek, een prachtsymbool voor de metselaarsarbeid. En intussen kwamen we tot de paradoxale situatie dat de irreguliere maçonnerie die hier in de meerderheid is, en zich gedraagt alsof zij de regel mogen bepalen, in de rest van de maçonnieke wereld sterk in de minderheid is, en door geen enkele der naburige landen erkend is, tenzij door sommige Franse obediënties, de wereldwijde DH en Clipsas.

In de voorbereidende jaren, die aan de oprichting van JvE in 2008 voorafgingen, stonden wij stichters voor een probleem. Enerzijds wilden wij een Boek, dat wij niet beschouwden als een neerslag van goddelijke openbaring, maar gewoon als wat een boek altijd en overal geweest is, namelijk een verzameling van inzichten die de oudere generaties doorgeven aan de jongere. Anderzijds wilden wij geen symbool van onwrikbare dogma’s vanuit een cultuur die we bewust achter ons gelaten hebben. We hadden kunnen doen zoals sommige DH-loges die een boek met witte bladen laten inbinden, of er een afdruk leggen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. We kozen echter voor het Corpus Hermeticum, dat we zelf mooi uitprintten en lieten samenbinden in leder. Een prachtiger symbool voor het humanisme van de Renaissance en een duidelijker band met onze geestelijke voorouders, de Alexandrijnen, konden we ons niet voorstellen, en we waren zelfs overtuigd dat, mochten deze historische gegevens over het oude Alexandrië in 1717 bekend geweest zijn, de Vrijmetselarij misschien zelfs van meet af aan voor een boek als dit, een Renaissanceboek bij uitstek, zou gekozen hebben. 

(Seizoensrituelen)

Naast de drie graadsrituelen, die in alle loges min of meer op dezelfde manier gevierd worden, vieren wij echter ook de 4 seizoensrituelen (Winter- en Zomerzonnewende/solstitium, Lente- en Herfstevening/equinox), die in de meeste loges slechts af en toe gevierd worden. Wij doen dit terwille van de rijke symbolische inhoud en creatieve mogelijkheden van die rituelen, die vele eeuwen ouder zijn dan de maçonnerie zelf, en die, hoewel ze heel goed passen bij onze cultuur, wat vergeten zijn, of "gerecupereerd" door het christendom. Wij beschouwen ze als een enorme verrijking van de maçonnieke, diepmenselijke symboliek.

(Verbintenis ipv Eed)

In de maçonnieke loopbaan worden vaak eden gezworen. Maar wat is een eed? Het woordenboek zegt dat het een publieke verklaring is waarbij men God als getuige oproept, en Hem verzoekt je zwaar te straffen als je de eed ooit verbreekt. Je legt daarbij je hand op de geopende Bijbel op het altaar, als dichtst mogelijk contact met het goddelijke.

Maar zonder God, Bijbel noch Altaar zoals bij ons valt dit niet gemakkelijk te realiseren. En er is een bijkomend probleem. Wat doe je namelijk als je inzichten intussen veranderden? Want als je jezelf eerlijk maar eenzijdig mag ontslaan van vroegere eden, wat is dan nog de waarde van een eed? Hoe interpreteren we bv. het feit dat de eerste Grootmeester van de GLB meinedig was jegens het GOB, en de eerste Grootmeester van de RGLB meinedig tegenover de GLB? Ben je dan plots niet meer gebonden door je vroegere eden telkens als je denkt dat het anders en beter kan? Daarom besloten wij de eed te vervangen door een verbintenis om je best te doen, en dat meningsverschillen je niet ontslaan van de eed, integendeel: dan verhoogt precies je verantwoordelijkheid om je in te zetten voor de diepere gronden van je vroeger voornemen, dat wil zeggen dat je dan de motivaties van je keuze moet proberen integreren met de nieuwe inzichten, in plaats van te kiezen voor één van beide. Meer nog, dat je zélf verantwoordelijk bent voor de communicatieprocessen die tot zo’n eventuele integratie zouden moeten leiden. De bedoeling is dus: te vermijden dat men al te gemakkelijk van zijn voornemens afhaakt met een zogenaamd beter inzicht als voorwendsel, waarbij men de oorzaak voor de moeilijkheden gewoon bij de ander legt.

Je legt uiteraard je hand op het Corpus Hermeticum, dat zelf op de Volmaakte Steen ligt. Dat betekent voor ons dat je bewust bent van de draagwijdte van je idealen, en dat je voeling hebt met een andere denkwijze dan de profane. Het is dus de publieke verkondiging dat je iets belangrijks ingezien hebt, en dat je je verbindt om een zekere taak naar best vermogen te vervullen, zodat men je voortaan mag vertrouwen. Je getuigt dus van een Verbindend Inzicht. Alle aanwezige Vrijmetselaars zijn daar getuige van, niet God. De anderen stellen voortaan een blind vertrouwen in jou na deze oprechte verklaring. Het is dit vertrouwen, het is hén die je zal verraden als je je verbintenis eenzijdig opzegt, niet God of een abstract principe.

(Mag symboliek dan zomaar gewijzigd worden?)

Onze loge kent nog andere diepe kenmerken zoals het bewust streven naar Groei, voor ons de enig mogelijke vertaling van het symbool van de arbeid aan de Ruwe Steen, en verder onze soevereiniteit, omdat wij van oordeel zijn dat geestelijk volwassen maçons geen behoefte hebben aan een kerkelijk geïnspireerde, dogmatische morele en organisatorische voogdij. Als maçons zich niet kunnen organiseren als vreedzame en elkaar erkennende Broeders en Zusters, dan hebben zij, naar onze bescheiden mening, de diepste boodschap van de Vrijmetselarij nog niet goed begrepen. En daar helpt geen Grootcomité tegen, integendeel.

“Maar kan men maçonnieke symboliek zomaar op eigen houtje veranderen?” zullen sommigen misschien vragen.“Bestaat de maçonnieke traditie er niet juist in, dat er niets gewijzigd wordt, en dat de boodschap trouw van generatie tot generatie doorgegeven wordt? Is traditie niet het meest centrale begrip binnen onze Vrijmetselarij?”

Vóór we op deze kritsiche vraag van buitenstaanders een genuanceerd antwoord kunnen geven, zullen wij een kort, onvolledig maar indrukwekkend overzichtje geven van grote veranderingen in de Vrijmetselarij der laatste drie eeuwen, ook en vooral in die obediënties die slaafse traditie prediken. 

1. Vooreerst werd er in 1717 een verschrikkelijke revolutie gepleegd: de autonomie der loges werd na 6 eeuwen afgeschaft, en vervangen door de gehoorzaamheid aan de obediënties. Het eerste gevolg daarvan was, dat er een schisma optrad tussen Antients en Moderns, twee obediënties die elkaar voortaan een eeuw lang niet erkenden. Ze verwisselden zelfs sommige wachtwoorden opdat de leden van de concurrentie zeker geen toegang zouden krijgen. Je zou bijna kunnen zeggen dat schisma’s en fatwa’s sindsdien een maçonnieke traditie zijn. Overigens wordt die 1717 en die fameuze vergadering op 21 juni in geen enkel verslag door tijdgenoten vermeld, maar pas 20 jaar later in andere teksten. Het is dus wellicht iets minder overtuigd of nauwkeurig verlopen, of helemaal niet?

2. In de loop van die 18e eeuw werd de enige bestaande maçonnieke graad, namelijk deze van Gezel, opgesplitst in Leerling en Gezel, en antieke heidense inwijdingsriten werden gekopieerd als Leerlingeninwijding. De Meestergraad, die vroeger enkel bestond uit Bouwmeesters en Gewezen Bouwmeesters, werd weldra ook aan niet-Bouwmeesters toegekend. Maar de loges, die dat in het begin durfden, werden van hogerhand geschorst en zelfs ontbonden. Uiteindelijk kon men die trend echter niet meer stuiten.

3. Jaren later werd het ritueel van de Derde Graad, dat toen draaide rond de figuur van Noach en zijn 3 zonen, compleet afgeschaft, en vervangen door een grotendeels verzonnen mythe rond de Fenicische Bouwmeester van de Tempel van Jeruzalem.

4. Bij de Antients bestonden er toendertijd 4 Graden: Leerling, Gezel, Meester en Metgezel onder het Koninklijk Gewelf. Deze vierde graad heeft een prachtig ritueel dat liefst 14 eeuwen oud is, en handelt over het eiland Patmos, waar de verbannen apostel Johannes leefde, de vermeende schrijver van het Vierde Evangelie en het Boek der Openbaring. In een grot onder het eiland wordt symbolisch dat Boek der Openbaring teruggevonden. Omdat velen dit eeuwenoude verhaal in die antiklerikale 18e eeuw te christelijk vonden, werd de hele graad herschreven in Oud-Testamentische zin: het werd nu de verwoeste Tempel van Jeruzalem ipv het eiland Patmos, die grot werd een Gewelf onder de ruïnes, en men vond er het Boek Genesis in terug. Ook alle figuren kwamen plots uit het Oude Testament.

5. Toen de Antients en de Moderns zich in het begin van de 19e eeuw verzoenden, werd de Vierde graad van de Antients met een trucje afgeschaft en evolueerde hij tot iets aparts voor een kleine minderheid: het Koninklijk Gewelf. Er waren nu officieel weer 3 graden.

6. Vervolgens werden rond 1850 in bijna alle Franse en Belgische loges de Bijbel en het Altaar verwijderd uit de tempel, en de term Opperbouwmeester volledig geschrapt. Meer en meer werd aan mensen die actief christelijk waren of banden hadden met katholieke scholen, universiteiten of ziekenhuizen de toegang tot de loge ontzegd, omdat ze zogezegd dogmatisch dachten. Daartegenover stond dat in alle Engelse en Amerikaanse loges er steeds geestelijken waren en zijn, en dat zij daar zelfs als Chaplain de taak van Redenaar vervullen.

7. Tegen het einde van de 19e eeuw werden de eerste vrouwen ingewijd, en later ontstond daaruit het gemengde DH of Droit Humain. Dat lijkt ons hier en nu evident, maar vergeet niet dat de allergrote meerderheid der maçons zich nog steeds hard verzet tegen deze mixiteit, en dat er zelfs dit jaar nog, in volle 21e eeuw, liefst twee grote GOB-loges uit Gent geschorst werden omdat ze beslisten om voortaan vrouwen op te nemen.

8. (...)

9. Rond 1985, na 250 jaar "moderne" maçonnerie, werd eindelijk beslist in Londen en Amerika om de zwarte obediënties in de Verenigde Staten voortaan ook te erkennen als volwaardige maçons, met onderling bezoekrecht met de blanke obediënties. Ook werd daarbij afgestapt van het aloude, “onveranderlijke” en tot irregulariteit leidende "Landmerk" dat er per staat slechts één obediëntie mag zijn.

10. (...)

11. En de laatste twintig jaar zijn er in Europa meerdere federaties, confederaties en allianties ontstaan van autonome loges, met een centraal bestuur dat veel respectvoller is voor de autonomie der werkplaats dan een centraliserende obediëntie.

Dit korte lijstje van ingrijpende hervormingen, waarbij ik vele details zoals het ontstaan van uiteenlopende ritussen en het verdwijnend gebruik van zwaarden achterwege laat, hebben je hopelijk overtuigd, dat traditie en alles laten zoals het is in maçonnerie twee totaal verschillende begrippen zijn. En vaak is dit maar goed ook. Sommige evoluties juichen wij toe, andere betreuren wij. Maar het valt op dat de richtingen die het luidst kraaien tegen verandering, zelf vaak de grootste wijzigingen hebben doorgevoerd.

Ik zou traditie daarom eerder willen omschrijven als het doorgeven van diepere waarden, en niet zozeer van concrtete vormen en gebruiken, die met de inzichten van de tijd voorzichtig kunnen en moeten mee-evolueren. De vrees is immers niet denkbeeldig dat zij die zich verzetten tegen het evolueren van sommige uiterlijke vormen, de diepere waarde ervan niet goed begrepen hebben, en zich achter zogenaamde traditie verstoppen om dit gebrek aan inzicht en groeivermogen te verhullen.

Je zou het ook omgekeerd kunnen stellen: als de cultuur en de inzichten rondom ons in de loop der tijd veranderen, zodat bepaalde symbolen misschien een gewijzigde, onaangepaste boodschap beginnen te geven, en je stuurt desondanks deze symbolen niet bij, dan verander je eigenlijk bewust de eeuwenoude, waardevolle boodschap van de maçonnieke ritus. Dan verraad je dus de traditie.